Hoe werkt dit?
Elk blok begint met een kernuitleg. Begrijp je dit? Ga door. Wil je details? Klik op de sub-kopjes. Snap je er niks van? Klik onderaan op "📖 Volledige Theorie" voor de complete lesstof.
1. Ondernemingsvormen
Rechtspersoonlijkheid & Aansprakelijkheid
De Kern
In de basis draait dit hoofdstuk om risico. Als je een bedrijf start zonder rechtspersoonlijkheid (eenmanszaak, VOF), ben jij zelf het bedrijf. Gaat het bedrijf failliet? Dan ben jij privé alles kwijt. Start je een bedrijf met rechtspersoonlijkheid (BV, NV), dan is het bedrijf een 'fictief persoon'. Schuldeisers kunnen alleen bij het geld van de BV, niet bij jouw privérekening (tenzij je er een potje van maakt). De keuze bepaalt dus wie de rekening betaalt als het misgaat.
Hoofdstuk 1: Ondernemingsvormen Compleet
1. Ondernemingen Zonder Rechtspersoonlijkheid
Bij deze categorie is er juridisch gezien geen scheiding tussen het vermogen van de onderneming en het privévermogen van de ondernemer. De onderneming is geen zelfstandig drager van rechten en plichten; de mens achter de onderneming is dat wel.
- De Eenmanszaak: Eén eigenaar. Volledige hoofdelijke aansprakelijkheid. Schuldeisers kunnen zich verhalen op privévermogen. Winst belast in Box 1 (inkomstenbelasting).
- De Vennootschap onder Firma (VOF): Twee of meer vennoten. Let op de valkuil: Elke vennoot is hoofdelijk aansprakelijk voor het geheel van de schulden, ook als een andere vennoot die heeft gemaakt.
- Commanditaire Vennootschap (CV):
- Beherend Vennoot: Heeft leiding, volledig privé aansprakelijk.
- Stille Vennoot: Alleen financier, niet aansprakelijk met privévermogen (alleen inleg). Tenzij hij zich met de leiding bemoeit, dan wordt hij ook volledig aansprakelijk.
2. Ondernemingen Met Rechtspersoonlijkheid
De onderneming is een juridische entiteit, los van de eigenaren. Continuïteit is hier beter gewaarborgd (bedrijf sterft niet als eigenaar overlijdt).
- Besloten Vennootschap (BV): Aandelen op naam, niet vrij verhandelbaar. Aandeelhouder riskeert alleen inleg. Winst belast met Vpb.
- Naamloze Vennootschap (NV): Aandelen vrij verhandelbaar (beurs). Startkapitaal eis €45.000.
2. Geld vs. Resultaat
Kosten, Uitgaven & Matching Principle
De Kern
Het belangrijkste onderscheid in dit vak: Winst is geen Kasgeld. Je maakt winst op het moment dat je iets levert (factuur verstuurd = opbrengst), ook al heb je nog geen cent ontvangen. Andersom: als je een lening aflost, gaat er geld weg (uitgave), maar dit zijn geen kosten (je wordt er niet armer van, je schuld daalt gewoon). Onthoud: Kosten/Opbrengsten gaan over "rijker/armer worden". Uitgaven/Ontvangsten gaan over "saldo op de bank".
Uitgaven: Geldstroom eruit. Voorbeeld: Aflossing, Aankoop machine. (Slecht voor kas, neutraal voor winst op dat moment).
Hoofdstuk 2: Geldstromen Compleet
Kosten versus Uitgaven
In de theorie strikt gescheiden.
Kosten (Costs): Waardeopoffering t.b.v. productie. Geboekt bij verbruik. Doel: Winst bepalen.
Uitgaven (Expenses): Geldstroom uit kas/bank. Geboekt bij betaling. Doel: Liquiditeit bepalen.
Cruciale Voorbeelden:
1. Afschrijving: Wel kosten (machine wordt minder waard), geen uitgave (je betaalt niets aan de machine op dat moment).
2. Aflossing lening: Wel uitgave (geld weg), geen kosten (schuldvermindering, geen verbruik).
3. Aanschaf machine: Wel uitgave, nog geen kosten (kosten komen via afschrijving).
Opbrengsten versus Ontvangsten
Opbrengsten (Revenues): Waarde geleverde prestatie. Moment van levering/factuur. Basis voor Omzet.
Ontvangsten (Receipts): Geld komt binnen op bank. Moment van bijschrijving.
Effect: Winst stijgt direct (Opbrengst). Liquiditeit verandert NIET (nog geen Ontvangst).
3. Financiële Verslaglegging
Balans & Winst-en-Verliesrekening
De Kern
Zie de Balans als een foto op 31 december: wat hebben we nú? Links (Activa) staat waar het geld in zit (gebouwen, voorraad, cash). Rechts (Passiva) staat van wie dat geld is (van ons = Eigen Vermogen, van de bank = Vreemd Vermogen). De Resultatenrekening is de film van het hele jaar: hoeveel winst hebben we gemaakt? Die winst wordt uiteindelijk toegevoegd aan het Eigen Vermogen op de balans.
Credit (Passiva): Eigen Vermogen (Buffer), Lang VV (Leningen), Kort VV (Crediteuren).
Altijd in evenwicht: Activa = Passiva.
Hoofdstuk 3: Verslaglegging Compleet
1. De Balans (Vermogenspositie)
Momentopname (31 dec).
Activa: Waar is het geld aan besteed?
- Vaste Activa: >1 jaar (Pand, Machine).
- Vlottende Activa: <1 jaar (Voorraad, Debiteuren).
- Liquide Middelen: Kas/Bank.
- Eigen Vermogen: Geld van eigenaar + Winstreserve.
- Vreemd Vermogen: Schulden (Lang/Kort).
2. Resultatenrekening
Periodeoverzicht.
Omzet - Kosten = Resultaat.
Dit resultaat verhoogt of verlaagt het Eigen Vermogen.
3. Investerings- en Financieringsbegroting
Bij start bedrijf:
Investeringsbegroting: Wat hebben we nodig? (Linkerkant balans).
Financieringsbegroting: Wie gaat dat betalen? (Rechterkant balans).
Financieringsgat: Investeringen zijn groter dan beschikbare financiering.
4. Kostenstructuur
Vast/Variabel & Direct/Indirect
De Kern
Kosten worden op twee manieren ingedeeld. 1. Hoe reageren ze op drukte? Variabele kosten stijgen mee met productie (meer broodjes = meer meel). Vaste kosten blijven gelijk (huur pand blijft gelijk, ook al verkoop je niks). 2. Kun je ze aanwijzen? Directe kosten horen bij 1 product (het vlees op de burger). Indirecte kosten zijn algemeen (de receptioniste, de directeur). Het probleem bij indirecte kosten is: welk product moet de receptioniste betalen?
Vast: Totaal blijft gelijk. Per stuk dalen ze bij meer productie (schaalvoordeel).
Indirect (Overhead): Algemeen. Moet verdeeld worden via opslagpercentages.
Hoofdstuk 4: Kostenstructuur Compleet
Indeling 1: Naar Veranderlijkheid (Volume)
Variabele Kosten: De totale variabele kosten veranderen mee met de productie. De kosten per eenheid zijn echter constant. (Bijv: grondstoffen).
Vaste (Constante) Kosten: De totale vaste kosten blijven gelijk (huur, afschrijving). De kosten per eenheid dalen naarmate je meer produceert (Degressief verloop). Dit is de basis van schaalvoordelen.
Indeling 2: Naar Toerekenbaarheid
Directe Kosten: Direct meetbaar aanwijsbaar per product. Geen discussie mogelijk. (Vb: Het hout in de tafel).
Indirecte Kosten (Overhead): Kosten voor het geheel, niet per product. (Vb: Salaris directeur, energiekosten fabriek). Deze moeten via verdeelsleutels (opslag) worden toegewezen.
5. Kostprijsmethoden
Opslag & Equivalentie
De Kern
Hoe bepaal je de kostprijs van 1 product als je heel veel overhead hebt? De Opslagmethode berekent overhead als een percentage van iets anders (bv. 50% bovenop de loonkosten). 'Primitief' betekent dat je alles op één hoop gooit. 'Verfijnd' betekent dat je logische potjes maakt (magazijnkosten als % van materiaal, beheerkosten als % van arbeid). De Equivalentiecijfermethode is voor massaproductie van soortgelijke dingen (Blikjes 1L, 2.5L, 5L). Je rekent alles om naar een standaardmaat.
Verfijnd: Meerdere percentages gebaseerd op oorzaak (Costs Cause). Nauwkeuriger.
Hoofdstuk 5: Kostprijsmethoden Compleet
1. De Primitieve Opslagmethode
Alle indirecte kosten op één hoop. Één percentage berekend over één basis (vaak directe loonkosten).
Nadeel: Zeer onnauwkeurig. Arbeidsintensieve producten worden te duur, machine-producten te goedkoop.
2. De Verfijnde Opslagmethode
Indirecte kosten worden gesplitst in kostenplaatsen. Er wordt gezocht naar een causaal verband.
- Magazijnkosten -> Opslag % over Grondstofverbruik.
- Algemene kosten -> Opslag % over Totale Productiekosten.
Voordeel: Eerlijkere kostprijs.
3. Equivalentiecijfermethode
Voor homogene massaproductie (bier, verf).
Producten worden via verhoudingsgetallen omgerekend naar standaardeenheden.
Vb: Blik 5L kost 2x zoveel moeite als Blik 2.5L. Dus factor 2.0 vs 1.0.
6. Planning & Control
Budgettering, Break-even & Variantie
De Kern
Achteraf kijk je of het budget klopte. Het verschil tussen werkelijkheid en budget heet Variantie. Heb je te duur ingekocht? Prijsverschil. Heb je te veel materiaal verspild? Efficiencyverschil. Is de fabriek niet vol benut? Bezettingsresultaat (dit gaat over vaste kosten). Verder moet je het Break-evenpunt kennen: het punt waar je geen winst en geen verlies maakt.
Dekkingsbijdrage: Prijs - Variabele kosten. Dit dekt de vaste lasten.
Veiligheidsmarge: Hoeveel mag omzet dalen voor verlies? (Begroot - BEP) / Begroot.
Efficiencyverschil: (Standaardhoeveelheid - Werkelijke hoeveelheid) x Standaardprijs. (Om prijseffecten uit te sluiten).
Hoofdstuk 6: Planning & Control Compleet
Budgettering
Top-down: Baas beslist. Snel, efficiënt, maar weinig draagvlak.
Bottom-up: Afdeling beslist. Veel draagvlak, maar traag en gevaar van 'Budget Slack' (potjes maken).
Break-even Analyse
Punt waar TO = TK. Winst is nul.
Dekkingsbijdrage: Verkoopprijs minus variabele kosten. Het bedrag per product dat bijdraagt aan dekking vaste lasten.
Veiligheidsmarge: Percentage daling toegestaan voor verlies optreedt.
Verschillenanalyse (Nacalculatie)
Prijsverschil: Oorzaak inkoopmarkt/onderhandeling. Reken met werkelijke hoeveelheid.
Efficiencyverschil: Oorzaak verspilling/zuinigheid productie. Reken met standaardprijs.
Bezettingsresultaat: Winst/verlies op vaste kosten door over- of onderbezetting van capaciteit. (W-N) x C/N.
7. Investeringsselectie
TVM, NCW & Terugverdientijd
De Kern
€100 vandaag is meer waard dan €100 over 5 jaar (rente). De Statische methoden (Terugverdientijd) negeren dit. Ze zijn simpel maar dom: ze kijken niet naar rente en niet naar wat er ná de terugverdientijd gebeurt. De Dynamische methoden (Netto Contante Waarde, IR) zijn slim: ze rekenen alle toekomstige euro's terug naar de waarde van nu ("contant maken"). Als de NCW positief is, moet je de investering doen.
Valkuil: Negeert kasstromen ná de terugverdientijd.
IR (IRR): Het werkelijke rendement %. Als IR > Rente-eis = Doen.
Hoofdstuk 7: Investeringsselectie Compleet
Tijdswaarde van Geld
Een euro vandaag is meer waard dan een euro morgen (rente/inflatie). Dynamische methoden houden hier rekening mee, statische niet.
1. Terugverdienperiode (Statisch)
Wanneer is de initiële investering terugverdiend uit kasstromen?
Nadelen: Negeert tijdswaarde. Negeert winstgevendheid ná de periode.
2. Netto Contante Waarde (Dynamisch)
Alle toekomstige kasstromen worden teruggerekend naar nu (disconteren).
Formule: Contante waarde kasstromen - Investering.
> 0: Project accepteren (Rendement > Eis).
< 0: Project afwijzen.
3. Interne Rentabiliteit (Dynamisch)
Het werkelijke rendement van het project in procenten.
Als IR > Vermogenskostenvoet (Rente die de bank/aandeelhouder eist) -> Accepteren.
8. Ratio's & Hefboom
Liquiditeit, Solvabiliteit & Rentabiliteit
De Kern
Ratio's zijn de thermometer van het bedrijf. Liquiditeit: Kunnen we volgende week de rekeningen betalen? (Korte termijn). Solvabiliteit: Is er genoeg eigen geld om klappen op te vangen als we failliet gaan? (Lange termijn buffer). Rentabiliteit: Hoeveel winst maken we ten opzichte van het geïnvesteerde geld? Let op het Hefboomeffect: Lenen is slim als de rente (RVV) lager is dan wat je met dat geld verdient (RTV). Dan wordt de eigenaar rijker (REV stijgt).
Quick Ratio: Zelfde, maar zonder voorraad (strenger).
Solvabiliteit: Eigen Vermogen / Totaal Vermogen. Hoe hoger, hoe veiliger.
Positief Hefboomeffect: RTV > RVV. Door goedkoop te lenen, stijgt de REV.
Hoofdstuk 8: Ratio's Compleet
1. Liquiditeit (Korte Termijn)
Kan de onderneming op korte termijn betalen?
- Current Ratio: Vlottende Activa / Kort VV. (Norm: > 1.5).
- Quick Ratio: (Vlottende Activa - Voorraad) / Kort VV. (Norm: > 1.0). Strenger, want voorraad is niet zeker geld.
- Netto Werkkapitaal: Vlottende Activa - Kort VV (in euro's).
2. Solvabiliteit (Lange Termijn)
Kan de onderneming bij faillissement schulden betalen? Bufferfunctie.
- Solvabiliteitsratio: Eigen Vermogen / Totaal Vermogen.
- Debt Ratio: Vreemd Vermogen / Totaal Vermogen.
3. Rentabiliteit
- RTV (Totaal Vermogen): Resultaat voor rente / Totaal Vermogen.
- REV (Eigen Vermogen): Nettowinst / Eigen Vermogen. (Belangrijk voor aandeelhouder).
- RVV (Vreemd Vermogen): Betaalde rente / Vreemd Vermogen.
4. Het Hefboomeffect
Relatie tussen RTV, REV en RVV.
Als RTV > RVV: Elke geleende euro levert meer op dan hij kost. De overwinst gaat naar het Eigen Vermogen. Dus REV stijgt. (Positief hefboomeffect).
Als RTV < RVV: Je leent duurder dan je verdient. De aandeelhouder draait op voor het verlies. REV daalt hard. (Negatief hefboomeffect).
Begrippenlijst
Snel zoeken voor het tentamen
| Begrip | Definitie |
|---|---|
| Afschrijving | Kostenpost voor waardevermindering. Is géén uitgave. |
| Bezettingsresultaat | Winst/verlies op vaste kosten door afwijking in productievolume. |
| Break-evenpunt | Punt waar Opbrengst = Kosten (Winst is 0). |
| Cashflow | Nettowinst + Afschrijvingen. Het geld dat werkelijk binnenkomt. |
| Constante Kosten | Kosten die in totaal niet veranderen bij drukte. |
| Current Ratio | Vlottende Activa / Kort Vreemd Vermogen. |
| Dekkingsbijdrage | Verkoopprijs - Variabele kosten. |
| Directe Kosten | Rechtstreeks aanwijsbaar per product. |
| Efficiencyverschil | Verschil in hoeveelheid x Standaardprijs. |
| Financieringsgat | Investeringen > Beschikbare financiering. |
| Hefboomeffect | Rendement op EV verhogen door lenen met VV (mits RTV > RVV). |
| Indirecte Kosten | Overhead. Moet via opslagmethode verdeeld worden. |
| Interne Rentabiliteit | Het werkelijke % rendement van een project. |
| Netto Contante Waarde | Alle toekomstige geldstromen teruggerekend naar nu - Investering. |
| Netto Werkkapitaal | Vlottende Activa - Kort Vreemd Vermogen. |
| Prijsverschil | Verschil in prijs x Werkelijke hoeveelheid. |
| Quick Ratio | Current Ratio zonder voorraad. |
| Solvabiliteit | Eigen Vermogen / Totaal Vermogen. |
| Terugverdienperiode | Tijd tot investering terug is. Negeert tijdswaarde. |
| Variabele Kosten | Stijgen in totaal mee met productie. |
| Veiligheidsmarge | % dat de omzet mag dalen voor verlies. |